Zure Regen         

[../poortinga-auteur-menu.htm]

 

 

BOSSTERFTE

mail uw scriptie, les of artikel naar www.skrift.nl

In heel Europa sterven de bossen

Bossterfte door rookgassen is, althans lokaal, een heel oud verschijnsel. Vroeger beperkte het zich tot de onmiddellijke omgeving van grote centrales en ertssmelterijen. Door de toenemende industrialisatie begon het bos op regionale schaal te kwijnen. In het zwaar geÔndustrialiseerde Ruhrgebied was de produktiviteit van de bossen in de jaren veertig al sterk verminderd. Nadat in de Tweede Wereldoorlog de Duitse industrie door de zware bombardementen was platgelegd, nam de diktegroei van de bomen in de eerste naoorlogse jaren weer toe. In de jaren zestig begon het bos in het Ruhrgebied opnieuw te kwijnen. De produktie van relatief gevoelige naaldhoutsoorten werd zo onrendabel dat naaldbossen op grote schaal werden vervangen door loofbossen (Poortinga, 1982).
Tegelijkertijd werd in Duitsland tegen het eind van de jaren zestig de politiek van de hoge schoorstenen ingevoerd. Alle schoorstenen in het Ruhrgebied werden verhoogd, met de bedoeling in het kader van het groeiende milieubesef, het industriŽle hart van Duitsland weer groen te maken. Deze maatregel is in Nederland op grote schaal nagevolgd. Ook hier werd aan talloze schoorstenen een mouw gepast. Reizigers tussen de Randstad en het Noorden kunnen dit vanuit de trein goed zien aan de schoorstenen van de IJsselcentrale.
Het uitsmeren van de vervuiling over heel West-Duitsland was slechts uitstel van executie. In het eind van de laren zeventig werd Duitsland geschokt door massale sterfte van zilversparren in zogenaamde Reinluftgebiete. Enkele jaren later bleek het kwijnen van de zilverspar slechts een voorbode te zijn van een grote ecologische nachtmerrie. De exponentiŽle groei van de vervuiling, door hoge schoorstenen gelijkelijk verdeeld over het hele noordelijk halfrond, had de grenzen van het toelaatbare bereikt. Alle bossen in West- Midden- en Oost Europa, van Schottand tot de Oeral, lijken af te sterven.


Bossterfte in Nederland

Bij mij, als directeur van mijn bureau Ecoplan, ontstond in 1982 bezorgdheid over de kwaliteit van enkele bossen die onder ons toezicht stonden. De gezondheid van de bomen ging zienderogen achteruit, ook zonder dat er van een veranderd beheer sprake was. Voor een adviesbureau als Ecoplan is zo'n constatering uiterst zorgwekkend. Het is nauwelijks nog mogelijk bij het ontwerpen van begroeiingen of het maken van bosbeheersplannen te adviseren bepaalde bomen te plaatsen, als het vermoeden bestaat dat de klant slechts zijn toekomstige schade aanplant. Zolang overigens een probleem onduidelijk is en maatschappelijk niet is geaccepteerd, wordt zo'n opstelling, hoe oprecht ook, iemand niet in dank afgenomen.
Omdat wij al enige tijd de ontwikkelingen van de bossterfte in Duitsland nauwlettend volgden, hadden we het vermoeden dat de bosschade bepaald niet bij de Duitse grens ophield. In de zomer van 1982 deed ik daarom uitvoerig navraag bij de instanties die zich in Nederland bij uitstek met de verzorging van bos en bomen bezighouden, zoals Staatsbosbeheer, het Rijksinstituut voor Natuurbeheer, de Stichting Bos en Hout en diverse natuurbeschermingsorganisaties. Nergens bleek enige schade door zure regen te zijn geconstateerd en geen van de gevraagde instanties verwachtte dat in de nabije toekomst de Nederlandse bossen zouden worden bedreigd.
De reacties van de verschillende instanties worden goed samengevat door de woorden van in H. A. van der Meiden, directeur van de Stichting Bos en Hout, een instantie ter bevordering van de produktie van industriehout. 'Het ziet er inderdaad naar uit,' aldus Van der Meiden, 'dat zure regen in ieder geval mede verantwoordelijk is voor het vooral in Duitsland en Polen gesignaleerde afsterven van bossen. Mij zijn geen gegevens over schade in Nederland bekend. Hoewel wij over het hele land onze connecties in de bosbouw hebben en daardoor regelmatig geconfronteerd worden met berichten over aantastingen en schaden, zijn tot dusver geen verschijnselen gesignaleerd welke in Duitsland zoveel aandachttrekken.'
Toch waren er twee typen reacties die erop duidden dat de verschijnselen bij uitzondering wel gezien, maar niet onderkend waren. In de eerste plaats was bij Staatsbosbeheer bekend dat bepaalde bossen in de nabijheid van bioÔndustrie in slechte toestand verkeerden, bijvoorbeeld de bossen bij de Rouwkuilen (gemeente Venray). Hierbij was door de nabijheid van de vervuiler echter op het eerste gezicht geen sprake van een grensoverschrijdend probleem zoals hij de Duitse bossterfte. In de tweede plaats bleek bij navraag naar enkele zeer kenmerkende schadebeelden dat deze vaak wel waren gezien maar werden toegeschreven aan andere oorzaken, zoals droogte en windgevoeligheid. Doorslaggevend argument voor verder onderzoek was dat de luchtverontreiniging in Nederland bepaald niet geringer is dan in Duitsland, terwijl bossterfte was geconstateerd tot aan de Nederlandse grens. Bovendien is het bekend dat de Nederlandse bossen voornamelijk op arme en al zure zandgronden staan en dus erg gevoelig zijn voor verdere aantasting.
Al met al was er weinig reden om de algemene ontkenning van de schade op te vatten als een geruststelling. Tenslotte was wel bekend dat in ons land korstmossen en paddestoelen verdwenen waren, heidevelden vergrasten en vennen verzuurden. Het vermoeden rees daarom dat door een zeker isolement van de Nederlandse bosbouw de schadebeelden bij de bosbeherende instanties onbekend waren. Aangezien de symptomen in een vergevorderd stadium gepaard gaan met allerlei parasitaire ziekten en verdroging, beschouwde men, kennelijk ten onrechte, deze ziekten als de directe en enige oorzaak. Reden genoeg om zelf een oriŽnterend onderzoek te starten en daarmee in Nederland te zorgen voor een zekere impuls voor het bosonderzoek (Winsemius, 1983).


Gevoelige bodems

Van heel Nederland bestaat een uitgebreide bodemkartering, tot stand gekomen op basis van vele tienduizenden bodemanalyses van de Stichting voor Bodemkartering. Het is dus voor een bodemkundige heel eenvoudig na te gaan waar in Nederland bodems gevoelig zijn voor verzuring. In principe zijn dit de kalkarme zandgronden, waar de bodem bovendien door eeuwenlange exploitatie is uitgeput. Daar bevonden zich tot in de vorige eeuw uitgestrekte heidevelden en daar is het grootste Nederlandse bosareaal ontwikkeld.
Op basis van deze kartering blijken er ruwweg twee typen zandgronden te zijn. Er zijn grote gebieden met dikke, goed doorlatende zandlagen en een diepe grondwaterstand, bijvoorbeeld de zandgronden van het centrale Veluwe massief, en er zijn gebieden met een dunne laag zand op een ondiepe keileemondergrond, bijvoorbeeld de zandgronden op het keileemplateau onder Groningen, Friesland en Drenthe. Voor ons onderzoek kozen we de ondiepe zandgronden. Daar stagneert het inzijgende zure regenwater in een dunne zandbodem en vormt de afwisseling van droogte in de zomer en waterstagnatie in de winter een extra handicap voor boomgroei.
Onder normale omstandigheden zouden bomen niet ziek hoeven te worden op dergelijke bodems. De produktiviteit, de groeisnelheid dus, zou beperkt kunnen zijn, maar een boom heeft de tijd om langzaam groot te worden. Als echter, zoals in Duitsland was geconstateerd, voortdurend erg veel energie moet werden gestoken in een herstel van schade door zure regen, is een zichtbare aftakeling te verwachten. In Duitsland was immers geconstateerd dat in bepaalde bossen, op redelijk vruchtbare grond en ver van industriŽle centra, de bomen al twintig laar niet meer dikker werden. Vanwege de grote schade moesten ze al hun produktievermogen in herstel steken.
In Nederland is de luchtvervuiling hoger en staan de bossen op arme grond. Daarom was het naar analogie van de Duitse bevindingen, beslist geen onlogische veronderstelling dat in de Nederlandse situatie het produktievermogen van de bomen niet groot genoeg zou zijn voor het herstel van de schade. Dit zou net zo goed als in Duitsland moeten leiden tot een geleidelijk afsterven van de bomen. Het was eigenlijk vreemd dat een dergelijke achteruitgang nog niet was geconstateerd.


Kwijnende bossen in Friesland

Op theoretische gronden moest de schade dus gemakkelijk zijn te vinden. Dit was inderdaad zo, en de situatie was ernstiger dan ik had vermoed.
Voor het onderzoek koos ik enkele boscomplexen in de Friese woudstreek op de rand van het keileemplateau. Samen vormden ze een areaal van circa 600 hectare bos tussen Drachten en Olterterp, met een fraaie, kleinschalige afwisseling van de belangrijkste in Nederland groeiende loof- en naaldhoutsoorten. De metingen van de STIBOKA wezen erop dat bepaalde bodems in deze streek al omstreeks 1960 zo zuur waren dat ze gevoelig moesten zijn voor verdere verzuring. Bovendien lagen deze bossen ver van alle Nederlandse industriŽle centra, zodat schade in geen geval aan de directe invloed van de lokale industrie zou kunnen worden geweten.
De schadebeelden in deze bossen bleken, wanneer de Duitse criteria werden gehanteerd, zeer ernstig te zijn. Zowel loof- als naaldbomen waren aangetast. Verificatie van de schade bij Duitse experts zoals prof. B. Ulrich en dr. Knabe bevestigde de conclusies omtrent de aard van de schadebeelden. Zure regen had het Nederlandse bos aangetast en waarschijnlijk niet in geringere mate dan in West-Duitsland. Door de grote aandacht die de media aan dit onderzoek gaven begonnen, ondanks de felle tegenspraak van Staatsbosbeheer,  na enige tijd ook andere bosbeherende instanties te twijfelen aan de kwaliteit van het Nederlandse bos.
Eind 1983 ontvingen mijn bureau Ecoplan en de Landbouwhogeschool Wageningen van het ministerie van VROM opdracht de schade en de relatie met bodemverzuring in de Friese bossen nader te onderzoeken. De resultaten van dit onderzoek hebben volgens dr. B. J.C. Zoeteman, de directeur Lucht bij het ministerie, aangevuld met het onderzoek van Staatsbosbeheer naar de vitaliteit van de Nederlandse bossen, als basis gediend voor de rapportage aan de Tweede Kamer over de aantasting van bossen door verzuring (Zoeteman in: Van Breemen, 1984).
De bodems in de onderzochte bossen (in Gaasterland en bij Olterterp) bleken ernstig verzuurd. De hoeveelheid opgelost aluminium in het bodemvocht was hoger dan de hoeveelheid calcium, een toestand die giftig is voor boomwortels. Dat de verzuurde bodem ook giftig was voor bet bodemleven bleek uit de messcherpe overgang tussen de zandige ondergrond en de slecht verteerde humuslaag. Elke activiteit van wormen en andere bodemwoelende organismen ontbrak. Ook de beworteling van de bomen concentreerde zich voornamelijk in de humuslaag en deze laag fungeerde als een soort vluchtheuvel in de verzuurde bodem (Poortinga, 1984).

Het vitaliteitsonderzoek van het Nederlandse bos, een tussenbalans

In augustus 1983 heeft Staatsbosbeheer in 1500 bossen de schade door zure regen geÔnventariseerd als onderdeel van een gezamenlijk programma van het ministerie van VROM en het ministerie van Landbouw en Visserij.
Het onderzoek is een concrete actie die uit de motie-De Boois (naar aanleiding van mijn onderzoek) is voortgevloeid, zegt Zoeteman van het ministerie van VROM. In die motie sprak de Tweede Kamer op 21 februari 1983 haar verontrusting uit over de verzuring van de Nederlandse bodem. Daarbij werd de regering verzocht een breed inventariserend onderzoek te verrichten naar de te verwachten schade, plus een programma van maatregelen op te stellen ter voorkoming en bestrijding van bodemverzuring.
Begin 1983 was toegezegd dat het verslag van het vitaliteitsonderzoek in de herfst van 1983 voor de Kamer beschikbaar zou zijn. Deze belofte kon evenwel niet worden nagekomen, maar Staatsbosbeheer heeft in afwachting van het definitieve rapport een voorlopig verslag gepresenteerd. Vlak voor de behandeling van het Indicatief Meerjarenprogramma Lucht in de Tweede Kamer, december 1983, werden de voorlopige resultaten van het vitaliteitsonderzoek van de naaldbossen bekend. Van de loofbomen was ook in 1984, in de tijd dat dit boek bezig was te verschijnen, de verwarrende hoeveelheid gegevens nog niet uitgewerkt.
Het voorlopig resultaat van het onderzoek vervulde de inspectie Bosbouw met zorg. Meer dan 95% van bet bos moet volgens de Duitse criteria als ziek worden aangemerkt. De vraag die men zich daarom stelde was: moeten we de Duitse normen ook in Nederland hanteren? (Staatsbosbeheer, 1983.)
Het zou logisch zijn van wel. immers, de oorspronkelijke bedoeling was dat het onderzoek op dezelfde wijze, in dezelfde tijd (de maand augustus) en volgens dezelfde criteria zou worden uitgevoerd als bet Duitse vitaliteitsonderzoek. Alleen dan kan men de toestand in beide landen met elkaar vergelijken. Ook Oostenrijk, Zwitserland en BelgiŽ volgen deze methode. Staatsbosbeheer wilde hier niet aan omdat ze eerst klip en klaar hadden volgehouden dat in Nederland geen schade was.
Ten behoeve van het veldonderzoek heeft de inspectie Bosbouw tweehonderd provinciale medewerkers en een aantal particulieren in korte tijd vertrouwd gemaakt met een aantal schadebeelden. De medewerkers moesten de bossen zelf, op grond van hun terreinkennis en aan de hand van voorgeschreven criteria, uitzoeken.
Dit laatste week fundamenteel af van de Duitse methode, waarbij men de te onderzoeken opstanden op statistisch verantwoorde wijze selecteerde door een kilometerraster over de boskaart te leggen.
Er werden 1500 bossen onderzocht, in twee groepen: een groep zogenoemde vitale bossen en een groep bossen waarvan men geen verklaring had voor de verminderde vitaliteit. Uitgesloten van het onderzoek werden houtopstanden die recent ernstig te lijden hadden gehad van stormschade of parasieten, alsmede de bossen waar de slechte vitaliteit het gevolg kon zijn van daling van het grondwater, een verkeerde boomsoortenkeus of een verkeerde bosbehandeling. Motief voor deze keus was dat de effecten van zure regen zich het duidelijkst openbaren wanneer er geen andere aanwijsbare oorzaken zijn van de geringe vitaliteit van de opstand (Al kan m.i. de schade primair wel veroorzaakt zijn juist door afsterven ten gevolge van zure regen).
Per boswachterij werden 70 minimaal 10 en maximaal 20 opstanden geselecteerd. De keuze van de vitale opstanden leverde geen moeilijkheden op in tegenstelling tot de keuze van de niet-vitale-opstanden-zonder-bijkomende -oorzaken. Dat is de reden dat van de laatste minder zijn geÔnventariseerd. Bij de uiteindelijke verwerking zijn de gegevens van slechts 1200 opstanden betrokken.
Van de naaldbomen zijn 13 vitaliteitskenmerken opgenomen en van de loofbomen 8. Door de ongelukkige keuze van de geÔnventariseerde schadekenmerken van loofbomen leverde de interpretatie daarvan problemen op. De kenmerken van loofbomen hadden namelijk op ťťn na alle betrekking op bladschade en door de extreem droge zomer was te verwachten dat bladeren het in 1983 toch al hard te verduren hadden. De verwerking van de gegevens is daarom moeilijk en een eerste interpretatie van de toestand van de loofbossen was vooralsnog niet te maken. Doordat in ons land nooit eerder een overeenkomstige beschrijving heeft plaatsgevonden, kon de inspectie op grond van de inventarisatie wel uitspraken doen over de stabiliteit van de bossen, maar niet over de mate waarin de stabiliteit is verminderd. De moeilijkheid bij de interpretatie van de cijfers van het onderzoek is dat niet bekend is hoe het bos in Nederland er nu zou uitzien onder condities met schone lucht. Wel is bekend dat de vitaliteitskenmerken erg slecht zijn. De naaldbezetting is uiterst gering en er is maar weinig voor nodig of de bomen kunnen het niet meer bolwerken.

Potentieel heeft volgens Staatsbosbeheer de grove den een naaldbezetting van vier jaarklassen, dat wil zeggen: er kunnen scheuten van vier achtereenvolgende jaren bezet zijn. In 1983 bleek bijna 40% van de grove dennen uit de niet-vitale groep een naaldbezetting te hebben van minder dan een hele jaarklasse. Dit betekent dat de bomen balanceren op de rand van hun bestaansmogelijkheden.
De fijnspar, die gezond zes of meer volledige jaarklassen naalden heeft, bezat nergens meer dan vijf zesde van dit aantal. Dit gold eveneens voor de douglas. Van de fijnspar bezat 44% van de niet-vitale groep en 17% van de vitale groep zelfs lang niet de helft van de naalden die ze als gezonde bomen zouden moeten hebben. Bij de douglas gold dit voor bijna het totale bestand: 94% in de niet-vitale groep en 75% in de vitale groep.


Zorgwekkend
De inspectie Bosbouw trok de volgende conclusie uit het onderzoek:
de conditie van het Nederlandse bos is zorgwekkend, omdat zelfs in de naar verhouding meest vitale opstanden zeer frequent verschijnselen worden waargenomen die duiden op een labiele toestand. Een 'labiele toestand' wil zeggen dat er maar weinig extra belasting in de vorm van droogte, vroege najaarsvorst, insecten of hogere luchtverontreinigingswaarden nodig is om bossen op grote schaal te laten afsterven. Er waren aanwijzingen dat de vitaliteit was verminderd. Een goede groei is alleen mogelijk met voldoende naaldbezetting. De gevonden naaldbezetting, ook in de vitale opstanden, was niet voldoende om de groei in het verleden te verklaren. Dit duidde op een recente vermindering van de naaldbezetting en daarmee van de vitaliteit van de onderzochte opstanden.
Als de Duitse normen ongewijzigd zouden worden gehanteerd bij de interpretatie van de gegevens, zou meer dan 90% van het vitale naaldbos als licht beschadigd moeten worden geclassificeerd. Van de niet-vitale opstanden is dit 100%. Dit is een schokkend beeld volgens de inspectie Bosbouw. Er bestonden bij Staatsbosbeheer daarom reserves tegen het toepassen van de Duitse normen op de Nederlandse bossen. De normen zouden zijn opgesteld voor bossen die onder andere omstandigheden zijn opgegroeid en voorzichtigheid is dus op zijn plaats. In werkelijkheid is dan ook, volgens de inspectie, waarschijnlijk een lager percentage 'licht beschadigd'.Toch stelde de inspectie van Staatsbosbeheer onomwonden dat de omvang van de luchtverontreiniging van dien aard is dat de bosinstandhouding wordt bedreigd. Omdat de situatie in Nederland principieel niet anders is dan in Duitsland, kunnen in Nederland de verschijnselen dezelfde omvang krijgen. Dit heeft bij het uitblijven van maatregelen verstrekkende gevolgen voor de in de bosbouw gedane investeringen, voor de werkgelegenheid, voor de recreatie en het natuurbehoud en voor de waterhuishouding en het klimaat. De inspectie stelt dat binnen het bos de effecten van luchtverontreiniging niet kunnen worden opgeheven of gecompenseerd. Het aanpassen van de boomsoortenkeuze is op lange termijn ook geen oplossing, daar geen enkele boomsoort tegen deze toestand is opgewassen. Dit betekent dat de oplossing moet worden gezocht in het voorkomen van de luchtverontreiniging.


CoŲrdinatie
Hoewel het resultaat van het onderzoek van Staatsbosbeheer indrukwekkend is, zijn de volgende kanttekeningen te maken ten aanzien van de onderzoeksopzet en de interpretatie van de gegevens over 1983 (Poortinga, 1984-2):

1. Door een subjectieve interpretatie van het begrip vitale opstand (opm. van de inspectie Bosbouw) werd niet duidelijk welk percentage bos daaronder viel. Hetzelfde kan in principe worden gezegd van de Duitse term 'licht beschadigd, daar deze term kennelijk inhoudt dat een doorgaand proces van vitaliteitsvermindering al ver gevorderd is, zonder uitzicht op herstel.
2. Door een groot deel van de bossen, waar de schade gepaard ging met stormschade en parasitaire plagen, niet te inventariseren, lag het voor de hand dat weinig zeer zwaar beschadigd bos zou worden aangetroffen. Een tweede bezwaar daarbij was dat niet meer statistisch kon worden achterhaald welk percentage van het totale Nederlandse bos vitaal,lIicht beschadigd of zwaar beschadigd was.
3. Gezien het feit dat van de groep vitale bossen meer dan 90% volgens de Duitse criteria als licht beschadigd moest worden aangemerkt, was de term 'vitaal bos' een tamelijk ongelukkig gekozen etiket. Hetzelfde geldt overigens voor de Duitse termen 'licht' en 'ernstig' beschadigd. Ook terminologieŽn als Schadstufe 1, - 2', enz., geven een slechte relatieve maat, omdat de meeste schade al is opgetreden voordat ze zichtbaar wordt.
4. Voor een harmonisering van het internationale onderzoek was de enige juiste methode om werkelijk de West Duitse methodiek aan te houden.
5. Omdat de kwaliteit van het blad erg afhankelijk is van seizoensinvloeden, zijn loofbomen beter te onderzoeken op chronische schadeontwikkeling aan twijgen, bast en stam dan aan het blad.
6. Voor een goede interpretatie geeft onderzoek naar de ontwikkeling

schijnselen dezelfde omvang krijgen. Dit heeft bij het uitblijven van maatregelen verstrekkende gevolgen voor de in de bosbouw gedane investeringen, voor de werkgelegenheid, voor de recreatie en het natuurbehoud en voor de waterhuishouding en het klimaat. De inspectie stelt dat binnen het bos de effecten van luchtverontreiniging niet kunnen worden opgeheven of gecompenseerd. Het aanpassen van de boomsoortenkeuze is op lange termijn ook geen oplossing, daar geen enkele boomsoort tegen deze toestand is opgewassen. Dit betekent dat de oplossing moet worden gezocht in het voorkomen van de luchtverontreiniging.

Koudwatervrees

De bevindingen van het Nederlands onderzoek werden aanvankelijk met enige voorzichtigheid gepresenteerd. Zelfs de toch schokkende conclusie van Staatsbosbeheer dat ten minste 90% van de naaldbomen licht is aangetast, werd heel behoedzaam geformuleerd. Dit blijkt niet zo maar een kwestie van ingeburgerde voorzichtigheid of koudwatervrees van wetenschappers, maar een kwestie van geleidelijke gewenning. In Duitsland, waar men al vele jaren langer met de bossterfte wordt geconfronteerd, is men het stadium van aarzeling al lang voorbij. Dit werd duidelijk gedemonstreerd op een excursie in de Drentse bossen, waar een aantal gerenommeerde Duitse wetenschappers de Nederlandse deelnemers met enkele verrassende, zeer stellige uitspraken schokte (Poortinga, 1984).
In 1983 stond de permanente uitwisseling tussen de universiteiten van Groningen en GŲttingen in het teken van de zure regen en de bossterfte. De Duitse professoren HŁttermann, Ulrich en Runge werden daarbij ontvangen door hun Groningse collega's Van Andel, Wessels en Kuiper. Het bureau Ecoplan en Staatsbosbeheer verzorgden ieder een deel van de op het programma staande excursie. Het deel onder leiding van de Drentse houtvester ir. Kalb voerde de Duitse gasten naar de naaldhoutbossen bij Veenhuizen. Het excursiedeel onder de hoede van mij en mijn compagnon Van der Lans nam de schade in loofhoutbossen in ogenschouw.
In de bossen van Staatsbosbeheer werden enkele percelen fijnspar, douglas en grove den bezocht. Daarvan waren de bomen bij het vitaliteitsonderzoek beoordeeld aan de hand van 18 criteria, zoals de ernst van de verkleuringen, het naaldverlies en de vorming van waterloten. Ir. Kalb over de zwaarbeschadigde bestanden: We vinden schadebeelden, maar we weten niet waardoor ze veroorzaakt worden. Droogte kan hier in elk geval niet de oorzaak zijn. De bodem is hier niet droog en de grondwaterspiegel niet diep. 1k hoop dat u een precieze verklaring kunt geven. De Duitsers schreven onomwonden de schadebeelden toe aan luchtverontreiniging; dat was volgens hen al lang boven elke discussie verheven. Toch bleef ir. Kalb, in tegenstelling tot zijn collega's uit o.a. Overijssel en Gelderland, nog lang tegenover de pers volhouden dat de bossterfte niet alleen wordt veroorzaakt door zure regen (NvhN, juli 1984).
Bij het vitaliteitsonderzoek van Staatsbosbeheer was niet gekeken naar wortelschade, omdat dat te bewerkelijk zou zijn. De Duitse deskundigen demonstreerden daarom met boor en spade hoe gemakkelijk de wortelbeschadigingen te controleren zijn. In de verschillende bodemlagen vonden zij alleen massa's dode fijne wortels, nauwelijks levend. Hieruit viel veel te concluderen.
Zij constateerden aan de hand van de afgestorven wortels dat het na de droge zomer in Veenhuizen helaas alweer geregend had. 'Als na een lange droge zomer,' zo legde prof. Ulrich uit, 'de droge bodem weer nat wordt, veroorzaken micro-organismen een versnelde afbraak van humus en daarbij komen veel zuren vrij. Tijdelijk wordt ook het bodemvocht heel zuur. Men noemt dit verschijnsel een zure schok en hierdoor sterven de fijne wortels. Vroege regens blijken na een droge zomer zoals in 1983 helemaal niet heilzaam. Het zou voor de bossen veel beter zijn geweest als ook de warme herfst droog was gebleven. Wanneer de bodem namelijk in de winter pas nat wordt, is in de koude grond de biologische activiteit klein en dus de produktie van zuur gering. Er is dan geen zure schok en de fijne wortels, die normaal overjarig zijn, kunnen dan overleven. Nu is er wel regen gevallen, maar de bomen hebben daar met hun dode wortels weinig aan.' Omdat de fijne wortels binnen vier weken na het afsterven geheel verteren, moest het korter dan vier weken geleden geregend hebben op de bossen van Veenhuizen.
Bij een kwakkelend perceel douglassparren verbaasden de Duitse gasten zich erover dat zo'n veeleisende soort als de douglasspar in Nederland zelfs werd aangeplant. In Duitsland kenden ze geen vitale bestanden van deze soort op arme en zure bodems. De douglas moest hier, en dat werd door de professoren snel geverifieerd aan de uiterst oppervlakkige beworteling, in zijn jeugdfase de bodem al hebben uitgeput. De bomen, en dat gold min of meer voor alle naaldbomen in deze bossen, zouden zich hier in stand houden door de nodige voedingsmineralen uit de luchtverontreiniging op te nemen, uitgezonderd fosfor. Vandaar dat de bomen hun wortels aan het bodemoppervlak concentreren. Alle mineralen die met de regen op de grond komen worden meteen gegrepen.
De bomen hebben,' aldus prof. Runge, 'de luchtverontreiniging dus nodig om zich te kunnen weren tegen de schadelijke effecten van diezelfde luchtverontreiniging. Hierbij is daarom geen sprake van evenwicht maar van een geleidelijk verslechterende situatie. Wrang is dat bos op deze bodems pas echt acuut in moeilijkheden komt, als de luchtverontreiniging met succes is bestreden. Dan hebben de bomen helemaal geen bron van mineralen meer en moeten ze dus snel afsterven.'

Drentse eikenbossen

Het excursiedeel over beschadigd loofhout voerde het gezelschap naar het Norgerholt. In dit oude Drentse eikenbos verliezen de eiken massaal hun bladdragende kortloten en plaatselijk treedt al sterfte op (zie foto). Metingen die we hier in 1979 hadden gedaan wezen reeds uit dat de bodem tot grote diepten extreem zuur was, terwijl ook het bodemchemische complex voornamelijk met zuur verzadigd was. Toentertijd twijfelden we aan deze gegevens, omdat deze zo ver afweken van wat volgens de gangbare literatuur normaal was voor bosbodems. Herhaling van de metingen gaf echter exact dezelfde uitkomsten.
De Duitse professoren vergeleken de meetgegevens met die welke wij in 1983 in de Friese bossen hadden verkregen. (Het Norgerholt is, evenals een groot deel van de Friese en Drentse bossen, aangeplant op zure, arme zandgronden boven een ondiepe keileemlaag). Men kwam eenstemmig tot de conclusie dat dit soort bodems tot de zuurste in Europa hoorde en dat herplant hier zinloos en verspilde moeite zou zijn. De ziektebeelden van de eiken in dit bos vertoonden volgens hen de typische kenmerken van een chronische schadeontwikkeling ten gevolge van luchtverontreiniging. Deze ontwikkeling was hier 70 ver gevorderd dat het verval zeker tien jaar geleden begonnen was. Gezien de deplorabele toestand van de eiken, zou het verval zich in de komende jaren onomkeerbaar voortzetten.
Toen tijdens de terugtocht een van de Nederlandse professoren, Piet Kuiper, hoffelijk wees op de schoonheid van dit beboste landschap, merkte prof. Ulrich uit het Duitse gezelschap geÔrriteerd op: 'Mooi, hoe zo? Het is een stervend landschap, dat kan toch niet mooi zijn?'


Bossterfte in het buitenland
Sinds het eind van de jaren zeventig, maar vooral sedert 1981, wordt in West-Duitsland op grote schaal bossterfte geconstateerd. Zorgwekkend zijn vooral de omvang en de snelheid van de ontwikkeling. Bij een inventarisatie van de schade in alle Duitse bossen bleek in 19828% van alle bomen ziek. Slechts ťťn jaar later, in 1983, was dit al 34%.
Nu moet men niet denken dat dit voor een leek duidelijk te zien is. Het is niet zo dat twee derde van de bossen gezond oogt en dat de rest een afschuwelijke aanblik geeft. Integendeel, de echte bosruÔnes, zoals die veelvuldig op krantefoto's te zien zijn, komen slechts sporadisch voor. In de praktijk is de 2,5 miljoen hectare een statistische grootheid en staan de zieke en minder zieke bomen door elkaar in dezelfde bospercelen.

terug naar inhoud

 xx [../alert-menu-poortinga.htm]

 


 
Norgerholt 1983
webontwerp, teksten en fotografie door Gerben Poortinga