Zure Regen          

[../poortinga-auteur-menu.htm]

 

 

INLEIDING

mail uw scriptie, les of artikel naar www.skrift.nl

zure regen, het ecologische Hiroshima

Zure regen lijkt Nederland definitief in zijn greep te hebben. In 1982 verschenen in de landelijke dagbladen de eerste mededelingen over bodemverzuring en bossterfte. Sindsdien hebben pers, radio en televisie gezorgd voor een aanzwellende stroom berichten over de grootste milieucatastrofe uit de geschiedenis. De Europese verkiezingen werden in 1984 voor een belangrijk deel uitgevochten rondom het thema zure regen, en de luchtvervuiling groeit onvermijdelijk uit tot het belangrijkste politieke probleem van de jaren tachtig.
Voorboden van wat ons in Nederland te wachten staat zien we in West Duitsland. Daar demonstreren sinds het begin van de bossterfte jagers en bosbouwers, altijd de meest behoudende en gezagsgetrouwe burgers, met spandoeken tegen de industrie en het overheidsbeleid. Daar worden diverse monsterprocessen tegen de staat en tegen elektriciteitsproducenten gevoerd. Daar organiseren rustige burgers zich in harde actiegroepen, doodsbang dat, na de bomen, hun kinderen door verstikking zullen sterven. Een toeneming van pseudokroep, een oorzaak van wiegedood, verstoort bij onze Duitse buren de vreugde van het ouderschap.
Wiegedood door luchtverontreiniging speelt in Nederland geen rol, zeggen deskundigen nu. Maar in 1982 verklaarden andere deskundigen met even grote stelligheid dat onze bossen in geen enkel opzicht waren aangetast. De berichten die daarover de ronde deden waren volgens de betrokken overheidsinstanties volstrekt onjuist. Nauwelijks anderhalf jaar later kwamen diezelfde instanties tot de conclusie, dat in het Nederlandse bos negen van de tien bomen ziek waren. Nog een jaar later is het bos zo ernstig aangetast dat een grootschalig afsterven onvermijdelijk is.
De schade aan metalen, constructies en apparatuur lijkt nu nog beperkt, maar in ons land is nog amper onderzoek gedaan naar de werkelijke schade. Tot nu toe levert elke inventarisatie onaangename verrassingen op. Naar aanleiding van enkele catastrofale ongelukken zijn in de Verenigde Staten alle stalen bruggen onderzocht op metaalmoeheid. Het bleek dat al die bruggen wegens roest en metaalmoeheid onbetrouwbaar waren en binnen vijf jaar vervangen moesten worden Ook werd na onderzoek duidelijk dat het neerstorten van enkele Amerikaanse gevechtsvliegtuigen zou kunnen zijn veroorzaakt door corrosie en metaalmoeheid ten gevolge van luchtverontreiniging. Er is geen reden om aan te nemen dat roestvorming in Amerika anders verloopt dan in Nederland.
Betonrot is in Nederland alleen becijferd aan de hand van de herstelkosten van balkonnetjes en flatgalerijen. Voor een half miljard worden de scheuren opgevuld of bedekt met een frisse laag beton. Dit gebeurt ook met andere, dragende, constructies. Als na enkele jaren de mortel opnieuw uit de scheuren valt, krabt men de barsten iets dieper uit en wordt het pleisterwerk herhaald. Niemand kan weten wat er aan haarscheuren niet is gerepareerd en in hoeverre de treksterkte van het beton is verminderd door de roestvorming op de wapening. Het wachten is op de eerste catastrofen, dan is te zien wat de werkelijke aard van de aantasting is.


De kosten van twijfel 

Zolang niet elke wetenschappelijke twijfel is verdwenen, wordt van overheidswege geen actie ondernomen. Het recente structuurschema voor de drinkwatervoorziening bijvoorbeeld rept geen woord over de grootschalige verzuring van het grondwater. Toch bestreed de directeur van de WAPROG, ir. K. D. Venhuizen, in 1983 op de jaarvergadering van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven, het schijnbaar onverwachte karakter van de zure regen. Volgens hem hadden wij mensen, die zo knap zijn in het uitdenken van de meest geavanceerde techniken en in het uitdenken van de  ingewikkeldste denkpatronen , beter moeten weten. 'We winsten natuurlijk ook wel beter,' schreef hij, 'maar vervielen vaar de zoveelste keer in onze standaardfout: niet doordenken van A tat Z maar ophouden bij de letter K van kortzichtigheid. We zullen ons er nu terdege van bewust moeten zijn, dat ons thans de rekening van onze explosieve industrialisatie wordt gepresenteerd. En reken er maar op,dat wij die rekening zullen moeten betalen. Wat mij dan steeds weer frappeert is, dat onze bestuurlijke instanties, die nauw betrokken zijn bij het aangeven van wat wel of wat niet toelaatbaar is, zeer vernuftig zijn in het stellen van normen.' Venhuizen begrijpt best, dat deze normen gebaseerd zijn op datgene wat maatschappelijk en politiek al dan niet haalbaar is. Toch is hij van mening dat wij bij de luchtverontreiniging te maken hebben met een verschijnsel dat ver uitgaat boven andere vormen van vervuiling en dat letterlijk en figuurlijk verstrekkende gevolgen heeft.

Nederland vervuilt bewust

Inderdaad blijkt de overheid heel goed te weten wat de risico's van de luchtverontreiniging zijn. Daarom nam in april 1979 dr. L. Ginjaar, minister van Volksgezondheid en MilieuhygiŽne, in de ministerraad van de EG het initiatief tot een daadwerkelijke aanpak van de luchtverontreiniging. Volgens een werkdocument van zijn ministerie zou de zwavelemissie in ons land tot het jaar 2000 met het vier- tot zevenvoudige stijgen. Daardoor zou niet uitgesloten zijn dat de in ScandinaviŽ opgetreden verzuring zich elders in Europa zou voordoen. Het emissiebeleid moest volgens dit document streven naar het zoveel mogelijk handhaven van het emissieplafond van 500000 ton zwaveldioxide per jaar en een luchtkwaliteitsnorm van 75 microgram per kubieke meter. De regering wees er echter op dat deze norm in de eerste plaats gericht was op de gezondheid van de mens en dat de Wereld Gezondheidsorganisatie een strengere waarde aanbeveelt namelijk 60 microgram per kubieke meter. Voor de bescherming van flora en fauna zouden nog strengere waarden nodig zijn volgens de bewindsman.
Om zijn beleidsstreven te onderbouwen, is door Ginjaar in oktober 1979 het S02-beleidskaderplan aan de Tweede Kamer aangeboden, een belangwekkend geschrift dat onomwonden de schaderisico's onderstreept. Er wordt in vermeld dat onderzoekers hebben aangetoond dat beschadiging of groeivermindering van zowel naald- als loofbomen is vastgesteld bij een jaargemiddelde in de lucht van 30-40 microgram zwaveldioxide per kubieke meter. Verwezen werd naar Duitse commissies die in verband met de herziening van de Duitse wetgeving ter bescherming van planten en dieren een gehalte van 20 microgram als jaargemiddelde toelaatbaar achtten. In het beleidskaderplan onderstreept de minister de noodzaak een luchtkwaliteitsnorm van 30 microgram (als 50-percentiel, dwz. die waarde waarbij minimaal 50% van de controlemetingen lager, en maximaal 50% van de controlemetingen hoger uitvalt) te hanteren ter bescherming van de flora in de natuurgebieden. Daarmee zou volgens de bewindsman echter duidelijk zijn dat met deze norm geen zekerheid voor een afdoende bescherming van het milieu wordt verkregen. Verdieping van de inzichten zou in de toekomst mogelijk tot aanpassing van de genoemde waarden moeten leiden. Deze inzichten zijn in de navolgende jaren op dramatische wijze verdiept, niet zozeer door wetenschappelijk onderzoek als wel door een explosieve toeneming van de schade.
Ginjaar kon in 1980 de omvang van zijn gelijk nog niet vermoeden. Hij verwoordt daarom zijn beleid, samengevat, als volgt: Het is onontkoombaar enige verontreiniging te aanvaarden. Aantasting van de flora moet geacht worden te beginnen bij een zwaveldioxideconcentratie van circa 30 microgram per kubieke meter lucht*. Deze waarde moet gelden voor natuurgebieden In de dichtbevolkte en geÔndustrialiseerde gebieden is het natuurlijk milieu ook door vele andere oorzaken in sterke mate verdrongen. Ook voor deze gebieden is het gewenst de verontreiniging zoveel mogelijk terug te dringen. Gezien de feitelijke situatie en de mogelijkheden deze op korte termijn te verbeteren moet hier voorlopig als uiterste grens van verontreiniging die voor de bescherming van de volksgezondheid worden gehanteerd. De richtlijn voor een luchtkwaliteitsnorm hiervoor is 75 microgram/m3.'In feite onderbouwde het SO2-beleidskaderplan achteraf bet eerder geformuleerde beleid, namelijk een stabilisering van de S02-emissies op 500 000 ton per jaar.
Het trieste was dat de regering dus in 1980 op grond van de feitelijk bestaande situatie een beleidsnorm vaststelde op een niveau dat tweeŽneenhalf maal hoger lag dan bet verontreinigingsniveau waarop zij schade aan flora en fauna bewezen achtte. Deze norm bleek enkele kabinetten te kunnen overleven. Stabilisering van de zwaveldioxide-uitworp op 500 000 ton per jaar werd tot in 1983 gepresenteerd als een doelmatige maatregel voor de korte termijn.
In 1984 meldt Pieter. Winsemius, toen de verantwoordelijke minister, aan de Tweede Kamer dat er geen aanleiding is de tot nu toe bij de beleidsvoering gehanteerde grenswaarde ter bescherming van de bevolking te herzien. De bestaande luchtkwaliteitsnorm van 75 micro-gram/in3 kon warden gehandhaafd. De tot nu toe gehanteerde waarde voor bescherming van de flora in natuurgebieden van 30 microgram/in3 was naar zijn oordeel waarschijnlijk niet streng genoeg om schade aan planten te voorkamen. Dit laatste was voor Winsemius echter geen aanleiding om de norm direct bij te stellen van 75 tot minder dan 30 microgram zwaveldioxide per kubieke meter lucht.
Het probleem van de verzuring gaf volgens de minister wel aanleiding om het uitworpplafond van 500000 ton S02 te heroverwegen. In de toekomst zou op basis van de huidige globale inzichten in de verzuring de S02-depositie moeten worden verlaagd tot aanzienlijk kleinere waarden. Voor Europa zou een verlaging met een factor drie a vier nodig zijn, een reductie met 65-75% dus. De minister hanteerde echter een rekenmethode waarbij de emissie evenredig wordt verdeeld per inwoner van Noordwest-Europa. Hierdoor zou ons dichtbevolkte land recht hebben op een emissie van 350000 ton 802 per jaar. Nederland hoefde de zwavelemissies daarom maar met 30% te verminderen Een eerste stap in deze richting noemde Winsemius het bijstellen van bet Nederlandse emissieplafond van 500000 ton tot 475000 ton per jaar, een reductie van slechts 5%. De omvang van de huidige emissie en de voorspellingen van bet Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deden volgens de minister veronderstellen, dat het bestaande programma van maatregelen tot een realistische uitvoering van deze taakstelling zou leiden.
Een merkwaardig contrast met de hoogte van bet emissieplafond vormen de berekeningen die bet Centraal Bureau voor de Statistiek maakte van de werkelijke zwaveldioxide-uitstoot. Herhaalde malen is een poging gedaan om de totale emissie van zwaveldioxide in 1980 te berekenen. Daarbij is de berekende uitworp van dat jaar gezakt van 500000 tot 450000 ton en volgens sommigen zou de uitworp nog lager zijn geweest. De emissies blijken slechts met een grove onnauwkeurigheid te kunnen worden berekend. In dit geval met een mogelijke afwijking van 10%. Overigens wordt bij dit type metingen en de daaruit voortvloeiende berekeningen een afwijking van 20% nog als normaal gezien. Controle op een verlaging van bet emissieplafond is daardoor erg moeilijk. Rie de Boois, fractiewoordvoerster inzake milieu van de Partij van de Arbeid, noemt de ervaringen met het emissieplafond uit bet eerste Indicatieve Meerjarenplan Lucht slecht.
Verder heeft het CBS berekend, dat de zwaveldioxide-uitworp van stationaire installaties, elektriciteitscentrales en andere grote vuurhaarden, in 1982 met 19% en in 1983 met 25% is gezakt. Omdat deze installaties 70% van de totale uitworp voor hun rekening nemen, is de totale emissie van zwaveldioxide in 1983, ten opzichte van 1980 met ten minste 30% afgenomen. De totale emissie ligt, zelfs als de hoogste schatting van het referentiejaar 1980 wordt aangenomen, 30% onder het door de regering gestelde emissieplafond.
Men zal zich na de berekeningen van het CBS afvragen waarom Winsemius een verlaging van het emissieplafond van een oncontroleerbare 5% aan de Tweede Kamer als beleidsombuiging voorlegt, maar Vooral waarom Winsemius in 1984 zo'n enorme publiciteit heeft gegeven aan het Verdrag van Ottawa. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tekende daar namelijk samen met tien andere landen een verdrag om binnen tien jaar de emissies van S02 ten opzichte van 1980 met 30% te verminderen een streven dat in Nederland al lang en breed is gehaald. Aangenomen dat de minister op de hoogte is van de feiten, was de ondertekening van het verdrag een aardige demonstratie maar verder een volstrekt leeg gebaar.

*)Tenzij anders vermeld, geldt bij luchtkwaliteitsnormen de SO2-percentielwaarde dwz. die waarde die in 50% van de metingen wordt overschreden (noot van de schrijver).

terug naar inhoud

 xx [../alert-menu-poortinga.htm]
webontwerp, teksten en fotografie door Gerben Poortinga